PRODUCTCERTIFICATIE

De term productcertificatie is van toepassing op zowel producten als diensten, en ook de certificatie van processen valt eronder. Denk bij diensten bijvoorbeeld aan het Thuiswinkel Waarborg voor webwinkels en het CBF-keurmerk voor goede doelen. Hierbij  is sprake van keurmerkeisen aan de geleverde dienst (output), dit in tegenstelling tot managementsysteemcertficatie, waarbij de keurmerkeisen betrekking hebben op de bedrijfsvoering, en persoonscertificatie, met eisen aan kennis, inzicht en vaardigheden van personen.

Procescertificatie gaat over de levering van producten en diensten waarbij het eindresultaat moeilijk is te meten, en dus moeilijk te certificeren. Als het mogelijk is het productieproces zodanig te specificeren dat het resultaat (de output) met voldoende zekerheid het gewenste niveau bereikt, dan kan het certificaat worden gebaseerd op metingen van, en eisen aan onderdelen van het productieproces. Denk hierbij aan hygiënemaatregelen bij voedselbereiding (handen wassen, haarnetjes etc.), temperatuur en luchtvochtigheid bij opslag en transport, de volgorde van handelingen, en de inzet van gediplomeerde vaklieden met gekeurde hulp- en beschermingsmiddelen bij asbestverwijdering.

Een certificatie-instelling (CI) die productcertificatie aanbiedt onder accreditatie voert het certificatietraject uit in overeenstemming met de internationale accreditatienorm ISO/IEC 17065. De beoordeling van een product, dienst of proces in het kader van productcertificatie wordt keuring of inspectie genoemd. In sommige gevallen, met name bij diensten, wordt hiervoor de term audit gebruikt. De beoordeling wordt uitgevoerd door een of meer keurmeesters of inspecteurs, respectievelijk auditoren, die gezamenlijk beschikken over zowel keurings- of auditvaardigheden als expertise op het terrein van het te beoordelen object. Hun activiteiten ten behoeve van de beoordeling kunnen bestaan uit (laten) bemonsteren, testen, inspecteren en het uitvoeren van audits, of combinaties hiervan.

Functies van keurmerken, gebruik logo

Keurmerken kunnen de volgende functies vervullen:

1) Het keurmerk fungeert als aankoopinformatie voor afnemers (consumenten, gebruikers, detailhandel, bedrijven, overheden, etc.). Dit is de primair beoogde functie: het bevorderen van vertrouwen bij de afnemer/gebruiker. Ook afnemers die niet op het keurmerk letten profiteren ervan dat het product of de dienst voldoet aan de keurmerkcriteria.

2) De keuringseisen fungeren als richtsnoer (ook wel: benchmark) voor leveranciers (producenten, importeurs). Deze functie is vergelijkbaar met die van normen: breed gedragen criteria die de actuele stand van de techniek en de maatschappelijke opvattingen weergeven. Ook leveranciers die het keurmerk niet aanvragen kunnen ze toepassen op hun assortiment, net zoals consumentenorganisaties en vergelijkingssites de keuringseisen kunnen betrekken bij hun beoordelingen van het marktaanbod. Eenzelfde effect treedt op als de keuringseisen worden opgenomen in aanbestedingsvoorwaarden, inkoopeisen, e.d. In deze functie kunnen certificatieschema’s een vrij ongemerkt positief effect hebben op het marktaanbod. Incidenteel wordt een keurmerk door derden ingezet als katalysator of breekijzer voor gewenste marktontwikkelingen. Een voorbeeld is de campagne in 2020/21 van Wakker Dier, gericht op supermarkten om hen te bewegen alleen vlees met het Beter Leven keurmerk te verkopen.

3)  De certificaten leiden tot aangepast overheidstoezicht, hetzij in combinatie met een wettelijke verplichting om een productcertificaat te voeren, hetzij via de risicobeoordeling die de toezichthouder hanteert voor het controleregime. De Nederlandse overheid heeft hiervoor beleid vastgesteld, zie verder Voldoen aan wet- en regelgeving.

Het keurmerklogo, dat de verschijningsvorm is van de primaire functie, moet zichtbaar zijn op of nabij het gecertificeerde product of de dienst, en er mag geen misverstand kunnen rijzen over het object waarvoor het geldig is. Meestal stellen de keuringseisen bepaalde aankoopinformatie en gebruiksinstructies verplicht; die moeten ook zichtbaar, respectievelijk bijgevoegd zijn als het product of de dienst wordt aangeboden door een webwinkel, op de markt of anderszins. De ISO-brochure Misuse of third party marks of conformity geeft voorbeelden van ontoelaatbaar logogebruik bij productcertificatie.​

Inhoud van certificatieschema’s

Een schema voor productcertificatie legt vast aan welke criteria een product, dienst of proces (hierna: object) moet voldoen om in bepaalde behoeften van gebruikers (veiligheid, gezondheid, doelmatigheid, levensduur, e.d.) te voorzien, en hoe kan worden vastgesteld of dit het geval is. RvA-document T033 bevat richtlijnen voor de inhoud van certificatieschema’s. Voor het onderbouwen van de validiteit geeft T033 alleen aanwijzingen voor de ontwikkelingsfase van het schema (par. 3.4.2); aldus kan de validiteit van een schema voor productcertificatie hoogstens aannemelijk worden gemaakt (zie ook Validiteit in het hoofdstuk Certificatie).

– Onderwerpen

Het hoofdonderwerp van het schema zijn de prestaties en eigenschappen van het te certificeren object. Voor zover deze niet direct meetbaar zijn (bijvoorbeeld de levensduur), worden ze vertaald in een of meer wel meetbare parameters of prestatie-indicatoren. Van deze vertalingen moet de validiteit worden aangetoond, net zoals de validiteit van het schema als geheel.

Een schema voor productcertificatie kan ook elementen uit de systeemcertificatie bevatten. Een voorbeeld is de verplichting om klachten over gecertificeerde objecten zorgvuldig af te handelen, die al in de eerste ISO/IEC-accreditatierichtlijn voor (product)certificatie werd opgelegd. Andere voorbeelden zijn de verplichting om op gezette tijden een interne audit uit te voeren, en jaarlijks een beoordeling van het systeem (ook wel: management review) op te stellen. Het certificatieschema voor clouddiensten (concept 2020) van het EU agentschap voor cyberbeveiliging ENISA gaat nog verder, en verplicht in bijlage A (A1) aanbieders van clouddiensten om een managementsysteem conform ISO/IEC 27001 te hebben. In dergelijke gevallen wordt het niet ineens een schema voor systeemcertificatie, want het hoofdonderwerp van het schema blijft gehandhaafd, en op basis hiervan mag dan ook geen systeemcertificaat worden verleend.

– Toelichting, voorbeelden

De internationale norm ISO/IEC 17067 beschrijft de principes van productcertificatie en bevat richtlijnen voor certificatieschema’s voor producten, processen en diensten. Er zijn ook voorbeelden beschikbaar van certificatieschema’s voor producten, respectievelijk diensten. De inleiding van de laatste beschrijft het verschil tussen producten en diensten. Ook schemabeheerders kunnen toelichtingen publiceren, zoals de uitleg van Komo over de relatie tussen zijn keurmerk en het Bouwbesluit, respectievelijk de verschillen tussen Komo en CE-markering.

Voldoen aan wet- en regelgeving

Voorbeelden van productcertificatie als onderdeel van wet- en regelgeving zijn de CE-markering (dit is certificatie met gedistribueerde verantwoordelijkheden) en de Wet Kwaliteitsborging in de bouw. In het hoofdstuk Certificatie is de relatie met wet- en regelgeving beschreven, met name de algemene onderdelen daarvan. De voor het toepassingsgebied specifieke wet- en regelgeving wordt doorgaans vermeld in het schema. Als een RvA-geaccrediteerd schema (mede) tot doel heeft te beoordelen of een object (product, dienst of proces) voldoet aan bepaalde wettelijke eisen, dan mag het certificaat alleen verklaren dat een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat het object aan de wettelijke eis voldoet. Lees verder in RvA-document T033 (par. 3.1.4).

Vrijheidsgraden in het certificatietraject

Productcertificatie is gebaseerd op onderzoek van een selectie van de te certificeren objecten; deze steekproef moet representatief zijn voor het totale aanbod. De geselecteerde objecten worden vervolgens onderworpen aan metingen die reproduceerbaar moeten zijn. Daarnaast maakt de CI in het certificatietraject diverse keuzes die vatbaar zijn voor interpretatieverschillen. Hoewel de accreditatienormen en certificatieschema’s verschillende bepalingen bevatten om de representativiteit, reproduceerbaarheid en interpretatieverschillen te beheersen, behelst het certificatietraject een aantal vrijheidsgraden (variaties en onzekerheden) die samen de (veelal ongewenste) spreiding bepalen in de mate waarin de gecertificeerde objecten voldoen aan de criteria in het certificatieschema. In de volgende onderdelen van een certificatietraject kunnen significante variaties en onzekerheden optreden:

  • uitvoering onderzoek;
  • classificatie van afwijkingen;
  • oorzaakanalyse door certificaathouder;
  • implementatie en verificatie van maatregelen.

Deze onderwerpen worden hieronder achtereenvolgens toegelicht, en afgesloten met een conclusie.

– Uitvoering onderzoek

Het certificatie-onderzoek begint met het bepalen van de steekproef: hoeveel te certificeren objecten moeten worden onderzocht, en waar en hoe worden ze gekozen. Om een representatief beeld te krijgen is enige inzage nodig in de productiespreiding: zijn er variaties in de relevante parameters per productielijn, per uur, per medewerker, per grondstoffenleverancier, etc. Soms kan de inspecteur/auditor dat zelf overzien op basis van ervaring, soms moet hij/zij gebruik maken van gegevens van de organisatie, zoals de registratie van procesparameters. Ook het certificatieschema kan steekproefrichtlijnen bevatten. In het algemeen is de productiespreiding bij stoffelijke producten gering, en bij diensten en processen wat groter, maar dat gaat niet altijd op, bijvoorbeeld bij natuurlijke grondstoffen in producten (leren schoenen, diepvriesmaaltijden, granen, e.d.) en op software gebaseerde diensten en processen (apps voor elektronisch bankieren, vergelijkingssites e.d.). In het certificatieschema kan de productiespreiding worden beperkt door aanvullende eisen aan het managementsysteem. Bij latere controles en herkeuringen wordt de steekproef waar mogelijk verbeterd door verder te variëren in waar en hoe de te onderzoeken objecten worden gekozen.

De eigenschappen en prestaties die vervolgens moeten worden gemeten zijn concreet beschreven in het certificatieschema, inclusief de meetmethoden en de grenswaarden voor certificatie. Bij geaccrediteerde schema’s is de validiteit van de beoordelingsmethoden en grenswaarden aangetoond, en worden de metingen uitgevoerd door geaccrediteerde onderzoekinstituten en/of inspecteurs met bewezen kwalificaties. In het certificatieschema kan de reproduceerbaarheid worden verbeterd door aanvullende eisen aan de uitvoering van de metingen.

– Classificatie van afwijkingen

RvA-document T033 verlangt dat het certificatieschema beschrijft hoe de onderzoekresultaten moeten worden geïnterpreteerd, en wat de consequenties zijn van de resultaten. Ook moet zijn vastgelegd welke afwijkingen van de criteria (non-conformiteiten) certificatie in de weg staan, of aanleiding zijn een certificaat op te schorten of in te trekken. Een optie kan zijn dat de steekproef eerst moet worden uitgebreid om na te gaan of de overschrijding van een grenswaarde duidt op een systematische, dan wel incidentele afwijking.

– Oorzaakanalyse door certificaathouder

De ISO/IEC-accreditatienorm 17065 stelt geen eisen aan de oorzaakanalyse die de certificaathouder moet uitvoeren nadat een afwijking is geconstateerd, maar een grondige analyse is wel raadzaam om te zorgen dat het verbeterplan niet alleen symptomen bestrijdt, maar ook de echte oorzaken wegneemt. Als de oorzaakanalyse gebrekkig is en de inspecteur/auditor van de CI dit niet (meer) kan verifiëren en laten corrigeren, zal ook het verbeterplan gebrekkig of zelfs ineffectief zijn.

– Implementatie en verificatie van maatregelen

Alvorens een certificaat kan worden verleend of verlengd moeten alle non-conformiteiten (NC’s) en hun gevolgen aantoonbaar zijn verholpen. Afhankelijk van de ernst van de afwijkingen en de inhoud van het verbeterplan beslist de CI hoe zij de effectiviteit van de getroffen maatregelen toetst.

– Conclusie vrijheidsgraden

Samengevat kan de ongewenste variatie in gecertificeerde objecten worden beheerst door validering van het certificatieschema, steekproeven op basis van de productiespreiding, en voorschriften voor het omgaan met afwijkingen, inclusief grondige oorzaakanalyses. Het schema kan aanvullende eisen stellen aan het managementsysteem en de meting van de objecteigenschappen, gericht op beperking van de ongewenste variatie. Alle aangetroffen afwijkingen van de criteria moeten zijn verholpen alvorens het certificaat kan worden verleend of verlengd. Een en ander neemt niet weg dat een productcertificaat geen absolute garantie is dat alle objecten onder het certificaat gedurende de looptijd voldoen aan de eisen in het certificatieschema.

Harmonisatie van schema’s

Voorbeelden van toepassingsgebieden met een aantal naast elkaar bestaande, overlappende keurmerken zijn: webwinkels, incassobureaus, duurzaamheid, en CE-markering. De situatie op deze terreinen wordt hieronder achtereenvolgens nader beschreven, en afgesloten met een conclusie over het stagneren of uitblijven van harmonisatie.

– Keurmerken voor webwinkels

In 2011 onderzocht het VARA-programma Kassa de wildgroei aan keurmerken voor webwinkels. Waren er toen nog achttien keurmerken voor webwinkels, in 2022 is dit teruggelopen naar een zestal. De situatie in 2011 is ontstaan door nieuwe technologie in combinatie met het gemak waarmee een internetkeurmerk kan worden gelanceerd. De wet- en regelgeving voor consumentenkoop en bescherming van persoonsgegevens heeft sterk harmoniserend gewerkt op de keurmerkcriteria, waardoor de keurmerken zich nauwelijks meer van elkaar konden onderscheiden. Dat hun aantal niet verder afneemt, kan komen doordat de CI’s verschillende servicepakketten aanbieden, zoals analyse van bezoekcijfers, kopersgaranties, en publicitaire ondersteuning. Ook de verdeling van de sector in grote en kleine spelers speelt een rol.

– Keurmerken voor incassobureaus

In de paragraaf Incassokeurmerken is beschreven dat Nederland drie keurmerken telt voor buitengerechtelijke incasso-activiteiten. Deze situatie is ontstaan en blijft in stand door segmentatie van de sector. Nieuwe wetgeving voor incassobureaus, die in ontwerp gereed is, kan harmoniserend werken en het aantal keurmerken op termijn doen afnemen.

– Duurzaamheidskeurmerken

Bij het thema duurzaamheid (Engels: sustainability) zijn er veel keurmerken met overlappende toepassingsgebieden, en ook pseudokeurmerken tieren hier welig. Voorbeelden zijn te vinden in de Keurmerkenwijzer van Milieu Centraal en op een site met pseudo- en nepkeurmerken. Deze situatie is ontstaan door de opkomst van een nieuw maatschappelijk thema, en blijft in stand door een groeiend belang van het thema, met nieuwe initiatieven op wereldschaal. Harmonisatie, fusies en overnames lijken op termijn onontkoombaar, maar het is nog moeilijk te voorspellen waar en hoe dit zal verlopen.

– CE-markering

In de paragraaf Productveiligheid en CE-markering is beschreven dat iedere EU-lidstaat een nationale accreditatie-instantie aanwijst, die voor elk toepassingsgebied een of meer conformiteitsbeoordelende instellingen (CBI’s), waar onder CI’s, kan accrediteren. Door variaties in de werkwijze van de nationale accreditatie-instanties en de door hen geaccrediteerde CBI’s kunnen variaties optreden in het veiligheidsniveau van de producten met CE-merk. Bovendien hebben de lidstaten het toezicht op de markt verschillend georganiseerd, wat leidt tot variaties in de effectiviteit van het toezicht. In zijn rapport Producten op de Europese markt: CE-markering ontrafeld (2017) stelt de Algemene Rekenkamer (blz. 43):

We beschouwen deze diversiteit in het markttoezicht als een kwetsbaarheid binnen het CE-systeem. De Europese Commissie is zelfs van mening dat het markttoezicht binnen de EU niet doeltreffend werkt en dat er daardoor zoveel producten in de handel gebracht kunnen worden die niet aan de eisen voldoen.

Doordat het CE-merkteken EU-breed uniform wordt toegepast, is de onderliggende variatie voor afnemers en gebruikers van de producten niet zichtbaar, zodat zij geen verwarring ervaren. De nationale toezichthouders, die de variaties wel kunnen zien, wisselen informatie uit en werken samen om onveilige producten van de markt te weren, maar ze kunnen daarmee de variaties per CBI en per lidstaat niet geheel neutraliseren. EU-brede harmonisatie van het stelsel achter het CE-merkteken is dus nog niet binnen handbereik. Deze situatie is ontstaan door het streven naar een interne markt in combinatie met segmentatie per lidstaat van de ondersteunende systemen. De situatie blijft in stand door het grote aantal EU-lidstaten, elk met een eigen nationale accreditatie-instantie en verschillende systemen voor markttoezicht.

– Conclusie harmonisatie

Samengevat kan de harmonisatie van overlappende schema’s stagneren of uitblijven door factoren die niets te maken hebben met de primaire functie van keurmerken, zijnde het verschaffen van aankoopinformatie. Ook als de keuringseisen al in hoge mate zijn of worden geharmoniseerd door wet- en regelgeving, kan verdere harmonisatie uitblijven door verschillende servicepakketten voor certificaathouders (webwinkels), segmentatie van de sector (incassobureaus), en verschillende toezichtregimes (CE-markering). Op termijn kunnen dergelijke factoren aan kracht inboeten, waardoor harmonisatie alsnog een kans krijgt.

Keurmerken met verschillende niveaus

In het hoofdstuk Certificatie is beschreven dat er certificatieschema’s met verschillende niveaus zijn, en hoe de niveaus kunnen worden toegewezen en tot uitdrukking gebracht. Voorbeelden van keurmerken met sterren zijn:

Voorbeelden van keurmerken met een klassenindeling zijn:

Tot slot is de Safety Culture Ladder (ook wel: Veiligheidsladder) een voorbeeld van een keurmerk met treden (5 stuks).

Certificatie van goederenstromen

Goederen die in bulk worden geproduceerd, getransporteerd, of verhandeld, zijn in veel gevallen moeilijk op betrouwbare wijze van een keurmerk te voorzien. Afhankelijk van de producten en de toeleveringsketen kan dit probleem worden opgelost met volgsystemen of garantieverklaringen.

– Volgsystemen

Bij volgsystemen gaat het om traceerbaarheid: de (balen/containers/schepen met) objecten die voldoen aan de keuringseisen worden aan het begin van de keten gemarkeerd om aan het einde van de keten de afzonderlijke objecten te kunnen voorzien van het keurmerk. Voorbeelden zijn tropisch hardhout en biologisch geteelde producten, die onderweg naar hun eindbestemming vermengd kunnen raken met partijen van onbekende herkomst. Veel certificatieschema’s voor duurzaamheid bevatten traceerbaarheidseisen voor de te certificeren objecten, zoals bij de keurmerken die zich Iseal Code Compliant mogen noemen. Nederlandse voorbeelden zijn het IKB-keurmerk voor vlees en eieren, met integrale ketenbeheersing (IKB), en het Beter Leven keurmerk, dat werkt met ketenregisseurs.

– Garantieverklaringen

Bij garantieverklaringen moeten de gecertificeerde hoeveelheid en de geproduceerde hoeveelheid met elkaar overeenstemmen. Voorbeelden zijn groene stroom, waarvan niet meer mag worden verkocht dan daadwerkelijk is geproduceerd, en (verhandelbare) CO2-emissierechten, waarvan een organisatie niet meer mag produceren dan de toegewezen hoeveelheid. Leveranciers van groene stroom kunnen een Milieukeurcertificaat verwerven, en voor de productie van CO2 kunnen organisaties een CO2-prestatieladdercertificaat verwerven; het eerste is een productcertificaat, het tweede een managementsysteemcertificaat. Namens de Nederlandse overheid verstrekt CertiQ certificaten van oorsprong voor groene stroom, en houdt de Nederlandse Emissieautoriteit toezicht op de emissiehandel en de CO2-uitstoot van grote bedrijven.

– Ontwikkelingen

De Europese Unie werkt op diverse duurzaamheidsdossiers aan wet- en regelgeving om de huidige rol van vrijwillige keurmerken en certificatie over te nemen, zodat de nationale toezichthouders overtredingen effectiever kunnen bestrijden en waar nodig streng bestraffen. Voorbeelden zijn het voorstel voor een verordening die wereldwijd de ontbossing moet tegengaan, en het voorstel om een CO2 heffing op te leggen aan import uit landen die (te) veel CO2 uitstoten.

Productveiligheid en CE-markering

In 1985 besloot de toenmalige Europese Economische Gemeenschap (nu: Europese Unie) de realisatie van de interne markt te versnellen met een Nieuwe aanpak van de technische harmonisatie en normalisatie, kortweg Nieuwe aanpak (Engels: New approach). De versnelling werd gerealiseerd door:

  • Europese richtlijnen uit te vaardigen met een brede werkingssfeer, en daarin alleen essentiële eisen voor producten op te nemen;
  • de uitwerking van de essentiële eisen in de vorm van testmethoden en criteria op te laten nemen in Europese normen;
  • conformiteitsbeoordelende instanties, waar onder private testlaboratoria en certificatie- en inspectie-instellingen, aan te wijzen die verklaringen van overeenstemming met deze Europese normen mogen afgeven.

De normen die gelden als uitwerking van essentiële eisen in de EU-regelgeving worden geharmoniseerde normen genoemd. De instanties die verklaringen van overeenstemming mogen afgeven heten aangemelde instanties (Engels: notified body); ze zijn opgenomen in de database NANDO.

Aldus werd een publiek-privaat stelsel van wet- en regelgeving gecreëerd, waarin een deel van de uitvoerende werkzaamheden wordt overgelaten aan de aangemelde instanties en de Europese normalisatie-instellingen CEN, CENELEC en ETSI. Producten die voldoen aan een EU-richtlijn of -verordening onder de Nieuwe aanpak voeren het CE-merkteken, wat geen keurmerk is, maar vaak wel als zodanig wordt ervaren. De producent of importeur moet een technisch dossier aanleggen waaruit blijkt dat het product aan de EU-wetgeving voldoet; bij producten met een hoog risico moet het dossier ook een conformiteitsbeoordeling door een aangemelde instantie bevatten. Het CE-merkteken kan worden beschouwd als de verschijningsvorm van een certificatiestelsel met gedistribueerde verantwoordelijkheden: ten eerste beslist de producent of importeur zelf om het logo aan te brengen, en ten tweede ligt het toezicht op het (blijvend) voldoen aan de EU-wetgeving bij de nationale toezichthouders. Het rapport Producten op de Europese markt: CE-markering ontrafeld van de Algemene Rekenkamer bevat een informatieve beschrijving van de gang van zaken rond CE-markering.

In de loop der jaren bleek dat sommige EU-lidstaten wat al te gemakkelijk instanties aanmeldden voor het afgeven van verklaringen van overeenstemming. Producenten en importeurs, die vrij zijn in de keuze van een aangemelde instantie, konden daardoor hun producten voorleggen aan instanties met een reputatie van soepelheid. In 2008 werd daarom accreditatie van de aangemelde instanties verplicht gesteld in de toen afgekondigde EU-verordening 765/2008 inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten.

Productinformatie en reclame

Vrijwel alle gecertificeerde producten en diensten gaan vergezeld van aankoop- en gebruiksinformatie. Een deel daarvan is zelfs voorgeschreven in de keuringseisen, en wordt dan beoordeeld als onderdeel van het certificatieproces. Niet onderbouwde claims (beweringen) en overdreven suggesties kunnen worden verboden in het certificatieschema of de overeenkomst met de certificaathouder. Ook zijn wettelijke regels voor voedings- en gezondheidsclaims en de etikettering van non-food van toepassing. De Europese Unie legde al in 1991 het gebruik van de term ‘biologisch’ aan banden met de Verordening 2092/91, en werkt momenteel (2022) aan een richtlijn voor betere informatie en bescherming tegen oneerlijke praktijken om de positie van de consument in de groene transitie te versterken. Naast een verbod op misleidende claims, behelst dit voorstel een verbod op “het weergeven van een duurzaamheidskeurmerk dat niet op een certificeringsregeling is gebaseerd of niet door overheidsinstanties is ingesteld”. Op hetzelfde terrein publiceerde de Autoriteit Consument & Markt (ACM) in 2021 een Leidraad Duurzaamheidsclaims, met daarin onder andere vijf vuistregels die bedrijven helpen om te werken met eerlijke duurzaamheidsclaims.

Voor informatie die los van producten en diensten wordt verspreid, zoals reclame, zijn de volgende zelfreguleringen in werking; alleen de eerste is een keurmerk.

– Keuringsraad

De Keuringsraad houdt zich bezig met publieksreclame voor geneesmiddelen. De Keuringsraad geeft advies over gezondheidsreclame en kan deze vooraf toetsen aan de hand van een aantal gedragscodes. Bij goedkeuring wordt een toelatingsnummer verstrekt dat in de reclame-uiting kan worden vermeld. De Keuringsraad werkt wel samen met overheidsorganisaties (ministerie, toezichthouder), maar het is een private CI. Het overheidstoezicht op geneesmiddelenreclame wordt uitgeoefend door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.

– Reclame Code Commissie

De Reclame Code Commissie (RCC) kan beoordelen of een reclame-uiting voldoet aan de Nederlandse Reclame Code. De RCC komt alleen in actie nadat een klacht is ingediend, reclame-uitingen worden dus niet vooraf beoordeeld. Het overheidstoezicht op (oneerlijke) handelspraktijken, waar onder reclame, wordt uitgeoefend door de Autoriteit Consument & Markt.

Voorbeelden van productcertificatie

In deze paragraaf wordt de huidige inzet en rol van productcertificatie op de volgende deelterreinen nader beschouwd:

Deze voorbeelden worden hieronder achtereenvolgens besproken.

Keurmerken voor levensmiddelen

In de paragraaf Opkomst zijn geen keurmerken voor voedselveiligheid gesignaleerd. Het Botermerk (1905) en het Kaasmerk (1911) hebben weliswaar bijna een eeuw dienst gedaan, maar die gingen over eerlijkheid in de handel. De Europese verordening voor streekproducten (1992) is ook een certificatie- of erkenningsregeling, maar de hierin gestelde bovenwettelijke eisen gaan evenmin over voedselveiligheid. In de jaren tachtig en negentig verschenen de duurzaamheidskeurmerken (EKO, Milieukeur, EU-Ecolabel, e.d.) op het toneel, waarvan een groot deel (ook) van toepassing was op bepaalde levensmiddelen, maar ook deze keurmerken hadden geen directe betrekking op voedselveiligheid.

Een mogelijke verklaring voor de afwezigheid van keurmerken voor voedselveiligheid is de vroege invoering van de Warenwet (1919), die vanaf het begin van toepassing was op nagenoeg alle levensmiddelen. Kennelijk hebben de wetgever en de toezichthoudende Keuringsdiensten van Waren (nu: NVWA) steeds zodanig alert gereageerd op ontwikkelingen in de wetenschap en in de toeleveringsketens dat de behoefte aan private keurmerken onder de oppervlakte bleef. Dit betekent geenszins dat certificatie afwezig is in de levensmiddelensector, maar het speelt zich voornamelijk af tussen de partijen in de toeleveringsketens; lees verder bij Voedselveiligheid in het hoofdstuk Systeemcertificatie.

Tegen het einde van de twintigste eeuw nam de aandacht voor een gezonde levensstijl geleidelijk toe. Hierin werd wel enigszins voorzien door de verplichte etikettering van levensmiddelen, onder andere op grond van de Warenwet en de EU-verordening 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, maar deze informatie is voor de modale consument niet gemakkelijk te hanteren. In 2006 lanceerde de Stichting Ik kies bewust, opgericht door een aantal grote voedselproducenten, daarom het Vinkje, een keurmerk voor voedselveiligheid, meer in het bijzonder voor gezonde voeding. Het Vinkje kende twee varianten:

  • Bewuste keuze binnen deze productgroep (met een blauw logo);
  • Gezondere keuze binnen deze productgroep (met een groen logo).

De eisen voor deze logo’s, opgesteld door een wetenschappelijke commissie van de stichting, waren gericht op een vermindering van de hoeveelheid verzadigd vet, transvet, toegevoegde suikers, natrium in producten. Daarnaast werd rekening gehouden met de inname van essentiële en nuttige nutriënten (zoals vezel en vitamines) en een geschikte hoeveelheid energie. Rond het Vinkje ontstond veel discussie over de daadwerkelijke bijdrage aan bewust en gezond eten, waarna in 2016 werd besloten ermee te stoppen.

Critici van het Vinkje, waar onder de Consumentenbond, ijverden voor een ander label voor levensmiddelen, de Nutriscore. Sinds 2019 is een groep Europese landen, waar onder Nederland, bezig om dit systeem van Franse origine aan te passen aan de nationale omstandigheden. Naar verwachting wordt Nutriscore in 2022 ingevoerd met nader te bepalen wetgeving. In tegenstelling tot het Vinkje, dat in essentie een keurmerk was, is Nutriscore een vorm van informatieve etikettering. De classificatie (A/B/C/D/E) van Nutriscore wordt met behulp van een algoritme berekend uit de gegevens in de verplichte informatie, zoals voorgeschreven in de bovengenoemde EU-verordening 1160/2011.

Het geheel overziend lijkt het erop dat keurmerken voor voedselveiligheid niet van de grond komen als de wetgeving en wetshandhaving voor levensmiddelen op niveau zijn. Wel is er ruimte voor wettelijke verplichte etikettering en een wettelijk gereguleerd logo voor gezonde voeding (Nutriscore).

Veiligheid van gastoestellen

In 1984 beschreef het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur de gasveiligheid als volgt in de nota Veiligheid in de privésfeer (blz. 50):

Alle gemeentelijke gasbedrijven hebben in hun aansluitvoorwaarden opgenomen dat alleen goedgekeurde, van een GIVEG-keurmerk voorziene apparaten mogen worden aangesloten. Bovendien mogen alleen erkende installateurs deze toestellen aansluiten. De gasbedrijven stellen ook eisen aan de gasleidingen, de aanvoer van lucht, de afvoer van rookgassen en de ruimte waarin de gastoestellen zich bevinden. De veiligheid van gasinstallaties en -toestellen is thans nog niet ingebed in een wettelijke regeling. Dit ligt wel in het voornemen, o.a. vanwege het feit dat terzake een EEG-richtlijn op komst is.

De hier aangekondigde EEG-richtlijn (90/396/EEG) verscheen in 1990, en is inmiddels opgevolgd door EU-verordening 2016/426 voor gasverbrandingstoestellen. Alle EU-richtlijnen en verordeningen voor productveiligheid stellen het CE-merkteken verplicht, en het is verboden daarnaast andere aanduidingen voor het voldoen aan de wet aan te brengen, zoals in dit geval het Giveg-keur voor gastoestellen. De vervanging van de nationale regelgeving voor gastoestellen door Europese wetgeving baarde de gaswereld de nodige zorgen, zoals bleek uit het Limburgsch Dagblad, 31-12-1988:

Het Gasinstituut in Apeldoorn probeert een kwaliteits-keurmerk op te zetten voor huishoudelijke gastoestellen. Het centraal technisch instituut voor de gasbedrijven vreest dat de veiligheidseisen in ons land soepeler zullen worden, wanneer er een Europees keurmerk komt dat voor alle partnerlanden zal gelden. Ing. F. Muttter, adjunct-directeur keuringszaken van het Gasinstituut, maakt wel duidelijk dat de Europese normen zich beperken tot de veiligheid en dat de Giveg-eisen veel verder reiken. […] Ondanks de beperkingen vormen de drie pijlers van het systeem – het verplicht gesteld keurmerk, de erkende installateur en de Gavo-normen – voor een sluitend geheel, vertelt ing. Mutter. Voor het Giveg-keurmerk wordt niet alleen gelet op de veiligheid. De apparaten moeten ook voldoen aan normen voor rendement van een toestel, levensduur, onderhoud en gebruiksgemak (zoals een goede regelbaarheid), daardoor ontstaat een hoge kwaliteit met als gevolg veilig gebruik en minder ongevallen. […] Omdat het keurmerk van de Giveg door de solidariteit van de gasbedrijven toch verplicht is, kunnen de EG-partners van Nederland dit beschouwen als belemmering van de vrije handel binnen de gemeenschap. De uitvoer van hun produkten (zonder Giveg-merk) naar Nederland kan hierdoor immers worden geremd. Daarom moet Nederland het eigen systeem laten vallen.

In 1994 besloten GasTec (de nieuwe naam van het Gasinstituut, later overgenomen door Kiwa) en de Vereniging van CV-ketelfabrikanten VFK het Giveg-keur te vervangen door Gaskeur. Gaskeur ging de consument, aanvullend op de CE-eisen, informatie bieden over het rendement, de uitstoot van verbrandingsgassen en het warm-watercomfort van de gecertificeerde verwarmingsketels. Bron: Nederlands Dagblad, 17-02-1994.

Het in de twintigste eeuw door de gaswereld ontwikkelde en bestuurde systeem voor de veiligheid van alle gastoestellen is aldus vervangen door de EU-verordening voor gasverbrandingstoestellen, inclusief verplichte CE-markering, en het vrijwillige keurmerk Gaskeur voor CV-ketels. De regelgeving rond het aansluiten van toestellen op het gasnet is grotendeels vervallen, met name de erkenning van gasfitters, de gasinstallatievoorschriften (GAVO), en het voor alle aan te sluiten toestellen verplichte Giveg-keurmerk. Over het veiligheidsniveau van gastoestellen onder de EU-verordening bestaat weinig discussie, maar voor het werken aan het gasnet heeft Nederland in 2020 een wettelijk stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties geïntroduceerd. Het hoofddoel hiervan is het voorkomen van te hoge concentraties koolmonoxide. Aanleiding voor deze aanvullende wetgeving zijn de bevindingen en aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OvV) in het in 2015 uitgebrachte rapport Koolmonoxide – Onderschat en onbegrepen gevaar. Op grond van de nieuwe wetgeving wijst de minister een of meer CI’s aan die moeten voldoen aan de accreditatienorm voor productcertificatie ISO/IEC 17065. De minister kan bovendien een of meer certificatieschema’s aanwijzen, mits die zijn geaccordeerd door de RvA. De wet voorziet ook in een openbaar register van aangewezen certificatieschema’s en installatiebedrijven die beschikken over een hierop gebaseerd certificaat.

Bij de deregulering aan het einde van de twintigste eeuw is het gevaar van koolmonoxidevergiftiging door gasverbrandingsinstallaties kennelijk tussen de wal en het schip gevallen. Met de gecertificeerde installatiebedrijven in de nieuwe wetgeving lijkt de Erkende gasfitter van weleer terug te komen.

Toegankelijkheid voor mensen met een beperking

In 1971 werd in Nederland het Internationaal Toegankelijkheidssymbool ingevoerd. De ITS-keuringen werden uitgevoerd door het Projectbureau Toegankelijkheid, opgericht door de toenmalige Chronisch zieken en gehandicaptenraad (CG-Raad). De CG-raad is in 2014 opgegaan in Ieder(in), en het Projectbureau heet nu PBTconsult (zie ook www.toegankelijkheidssymbool.nl). PBTconsult geeft ook een certificaat uit voor de toegankelijkheid van bestaande gebouwen die (nog) niet aan alle ITS-eisen voldoen. In 2016 lanceerde Ongehinderd B.V. een tweede keurmerk voor toegankelijkheid: het ‘Nederlands Keurmerk voor Toegankelijkheid’. Dit keurmerk kent vier niveaus: brons, zilver, goud en platina. De certificerende instellingen van beide keurmerken werken niet onder accreditatie; ze leveren ook adviesdiensten aan de (potentiële) certificaathouders, wat volgens de accreditatienorm ISO/IEC 17065 niet is toegestaan.

In 2016 ondertekende Nederland het VN-verdrag Handicap. Als uitwerking hiervan is in 2017 het Besluit toegankelijkheid voor personen met een handicap of chronische ziekte vastgesteld. Dit is meer een intentieverklaring dan een besluit, en de woorden keurmerk, certificaat, toegankelijkheidssymbool en de afkorting ITS komen er dan ook niet in voor.

Erkenning van goede doelen

Het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) werd in 1925 opgericht door de Armenraden en charitatieve organisaties om toezicht te houden op de geldwerving aan de deur en op straat. In 1995 introduceerde de organisatie het CBF-keurmerk voor goede doelen, in 2005 gevolgd door het CBF-certificaat voor kleine goede doelen. In 2016 zijn het keurmerk en het certificaat vervangen door één erkenningsregeling voor zowel grote als kleine organisaties, met het CBF als certificatie-instelling. De kwaliteitseisen hebben betrekking op de volgende thema’s:

  • bijdragen aan een betere wereld;
  • zorgvuldig omgaan met iedere euro;
  • verantwoording afleggen;
  • financiën laten controleren;
  • respectvol omgaan met donateurs.

De eisen worden vastgesteld door een onafhankelijke commissie, die fungeert als schemabeheerder.

Sinds 2008 kan de Nederlandse Belastingdienst ideële organisaties erkennen als Algemeen nut beogende instelling (ANBI). De toelatingseisen zijn opgenomen in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De ANBI-status kan worden beschouwd als keurmerk, gericht op belastingbetalers die hun donatie willen opvoeren als aftrekpost. Hetzelfde geldt voor stichtingen die ondersteuning geven aan een Sociaal belang behartigende instelling (SBBI). De Belastingdienst oefent naar eigen zeggen een lichte vorm van toezicht uit op de aldus erkende organisaties.

Samengevat kunnen organisaties voor goede doelen in Nederland op twee manieren worden erkend: als ANBI of Steunstichting SBBI door de Belastingdienst, en als Erkend goed doel door de private certificatie-instelling CBF. De Belastingdienst, respectievelijk het CBF, houdt toezicht op de erkende organisaties. Alleen het CBF is voor deze activiteiten erkend door de Raad voor Accreditatie.

Specialistische gezondheidszorg

Zoals blijkt uit de paragraaf Harmonisatie in het volgende hoofdstuk is systeemcertificatie in de zorgsector wijdverbreid. Twee voorbeelden van productcertificatie in de zorg zijn het keurmerk TopGGz en de erkenning van expertisecentra voor zeldzame aandoeningen (ECZA’s). In beide gevallen gaat het om een dienstenkeurmerk voor zorgaanbieders. De bijbehorende certificatieschema’s bevatten wel elementen uit de systeemcertificatie, zoals opleidingsbeleid en effectmeting, maar de concrete eisen aan de input (o.a. kwalificaties zorgverleners) en output (o.a. aantallen patiënten, innovatieve projecten en wetenschappelijke publicaties) overheersen. Ze volgen rechtstreeks uit de ambitie van beide certificaten om zich te onderscheiden van de alledaagse zorg; de doelen en prestatie-indicatoren zijn verankerd in het schema en worden niet – zoals bij systeemcertificatie – bepaald door de certificaathouder. Beide regelingen werken buiten accreditatie.

– TopGGz

De in 2007 opgerichte Stichting Topklinische Ggz is zowel schemabeheerder als CI van het TopGGz-keurmerk. Houders van dit keurmerk combineren zeer gespecialiseerde patiëntenzorg met het ontwikkelen van nieuwe behandelmethoden, wetenschappelijk onderzoek en structurele kennisoverdracht. De beoordeling is gebaseerd op 14 criteria die betrekking hebben op de volgende aandachtsgebieden: hoogspecialistische patiëntenzorg, onderzoek, ontwikkeling en innovatie, opleiding en kennisverspreiding, en commitment op lange termijn van de raad van bestuur.

– Expertise centra voor zeldzame aandoeningen

In 2021 introduceerde het ministerie van VWS een erkenningsregeling voor expertisecentra voor zeldzame aandoeningen (ECZA’s), gebaseerd op de Wet op bijzondere medische verrichtingen. Het ministerie is zowel schemabeheerder als CI van deze regeling. EZCA’s hebben de erkenning nodig om te kunnen deelnemen aan Europese referentienetwerken (ERN’s). Dit zijn virtuele netwerken, waarin artsen en onderzoekers met veel kennis van zeldzame aandoeningen overleggen. De EZCA’s moeten voldoen aan 12 eisen die betrekking hebben op de volgende thema’s: kwaliteit van zorg, onderzoek, continuïteit, samenwerking met andere partijen, informatie en communicatie, en grensoverschrijdende gezondheidszorg. De eisen en bijbehorende indicatoren zijn opgenomen in de beleidsvisie voor ECZA’s van het ministerie van VWS.

Incassokeurmerken

Nederland telt in 2022 drie keurmerken voor organisaties die uitstaande vorderingen innen in opdracht van de schuldeisers, te weten het Incasso Keurmerk van de branchevereniging NVI, het Keurmerk Sociaal Verantwoord Incasseren van PH Quality Holding B.V., en het SRCM-certificaat van de gerechtsdeurwaarders. Gerechtsdeurwaarders zijn formeel belast met de uitvoering van wettelijke taken, zoals het incasseren van schulden op basis van rechterlijke uitspraken. Hiervoor is specifieke wet- en regelgeving van kracht, die echter alleen van toepassing is op hun optreden in de gerechtelijke sfeer. Sinds 2019 hebben de gerechtsdeurwaarders daarom het SRCM-certificaat voor hun buitengerechtelijke incasso-activiteiten. Geen van deze drie certificatie-activiteiten is geaccrediteerd door de RvA of een soortgelijke organisatie.

– Incasso Keurmerk

In 1989 is de Nederlandse Vereniging van Incasso-ondernemingen (NVI) opgericht, met als doelen een hoogwaardige incassodienstverlening en een betrouwbaar imago voor de sector. Hiertoe werd een gedragscode opgesteld, waaraan de leden zich dienden te houden, en werd een onafhankelijke klachtencommissie ingesteld voor schuldenaren die zich onheus behandeld voelden door een NVI-lid. In 2004 introduceerde de NVI het Incasso Keurmerk, waartoe de gedragscode was omgezet in keuringseisen. De NVI, die inmiddels Nederlandse Vereniging van gecertificeerde Incasso-ondernemingen heet, fungeert als eigenaar en schemabeheerder, en publiceert de keuringseisen op haar website. Het certificatietraject is volledig uitbesteed aan een externe certificatie-instelling, het Keurmerkinstituut. Dit lijkt strijdig met de eis in de accreditatienorm ISO/IEC 17065 dat een CI de certificatiebeslissingen niet mag uitbesteden, maar deze eis is niet van toepassing, omdat de NVI buiten accreditatie werkt. Sinds 2017 moeten de incassomedewerkers van de certificaathouders met goed gevolg een vakbekwaamheidsexamen hebben afgelegd. De eind- en toetstermen zijn bepaald door de examencommissie van de NVI. De examens worden afgenomen door een examenbureau onder toezicht van de Examenkamer. In 2019 zijn de keuringseisen vernieuwd; sindsdien spreekt de NVI van maatschappelijk verantwoord incasseren. Medio 2022 heeft het Incasso Keurmerk ca. 25 certificaathouders.

– Keurmerk Sociaal Verantwoord Incasseren

In 2016 is het Keurmerk Sociaal Verantwoord Incasseren (SVI) opgericht, met als doel dat opdrachtgevers en incasseerders het tot hun maatschappelijke verantwoordelijkheid rekenen dat mensen met een betalingsachterstand op een menselijke en verantwoorde manier van hun schuld afkomen. Op de website van het Keurmerk SVI staan geen keuringseisen, maar een beschrijving van de kernwaarden. Er is een klachten- en bezwaarcommissie voor bezwaren van (potentiële) keurmerkhouders tegen beslissingen van Keurmerk SVI. Medio 2022 heeft het Keurmerk SVI ca. 30 certificaathouders.

Samen met de gemeente Rotterdam is het SVI-keurmerk in 2020 doorontwikkeld naar het keurmerk Warm Incasseren. Dit keurmerk kan worden verworven door maatschappelijke organisaties en bedrijven met incassoprocessen die respectvol willen omgaan met hun werknemers (met schulden) en klanten (met betalingsachterstanden).

– SRCM-certificaat voor gerechtsdeurwaarders

Sinds 2010 moeten gerechtsdeurwaarders voor hun wettelijke taken voldoen aan de wettelijk vastgelegde KBvG Normen voor Kwaliteit. Deze verordening bevat geen specifieke bepalingen over de invordering van schulden. In 2019 is vanuit de beroepsorganisatie Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) de norm voor Social & Responsible Credit Management (SRCM) ontwikkeld. Gerechtsdeurwaarders kunnen zich aanmelden voor het hierop gebaseerde private SRCM-certificaat. Het certificaat wordt beheerd door de gelijknamige stichting SRCM. Medio 2022 heeft het SRCM-certificaat ca. 10 certificaathouders.

– Wetgeving buitengerechtelijke incasso-activiteiten

In 2011 heeft de overheid de incassokosten gemaximeerd door middel van het Besluit Vergoeding voor Buitengerechtelijke Incassokosten. Dit besluit geldt niet alleen voor incassobureaus, maar ook voor schuldeisers die zelf achterstallige betalingen innen, en advocaten en deurwaarders die dat doen in opdracht van schuldeisers. In 2021 heeft de overheid een ontwerp ingediend voor de Wet kwaliteit incassodienstverlening. Het wetsvoorstel:

  • verplicht incassobureaus om zich in te schrijven in een speciaal register;
  • maakt het mogelijk om bij lagere regelgeving kwaliteitseisen te stellen aan de buitengerechtelijke incassodienstverlening;
  • stelt een systeem van toezicht en handhaving in;
  • bevat maatregelen tegen de negatieve aspecten van de verkoop van vorderingen en maatregelen tegen het verdienmodel bij de cumulatie van termijnvorderingen.

Het overheidstoezicht op de naleving van deze nieuwe wet wordt belegd bij de Inspectie Justitie en Veiligheid, die dit zal afstemmen met de Dienst Justis en andere relevante toezichthouders (AFM, ACM, BFT en de lokale dekens van advocaten).

– Conclusie incassokeurmerken

Naast de reeds bestaande zelfregulering (drie private keurmerken) voert de overheid nieuwe wetgeving in voor buitengerechtelijke incasso-activiteiten. In de Memorie van toelichting is geen sprake van mogelijke samenwerking met private CI’s ten behoeve van het toezicht.

De NVI beperkt deelname aan het Incasso Keurmerk tot haar leden, wat mede kan verklaren waarom het Keurmerk Sociaal Verantwoord Incasseren eerst een groot aantal gerechtsdeurwaarders heeft aangetrokken, en waarom de deurwaarders later een eigen keurmerk hebben opgericht. Dit SRCM-certificaat is alleen toegankelijk voor gerechtsdeurwaarderskantoren. De Autoriteit Consument & Markt zou de beperkingen tot NVI-leden, respectievelijk gerechtsdeurwaarders, kunnen aanmerken als ongeoorloofde concurrentiebeperking, maar kan dit ook gedogen omdat er een uitwijkmogelijkheid is.

Kwaliteitsborging in de bouw

De in 2010 opgerichte Stichting GarantieWoning (GW), die wordt bestuurd door een aantal branche-organisaties in de bouw, geeft het private keurmerk GarantieWoning uit voor nieuwbouw koopwoningen en transformatie- of renovatiewoningen. Naar verwachting is vanaf medio 2023 de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) van kracht, waarmee de overheid een nieuw publiek-privaat stelsel van kwaliteitsborging in de bouw invoert. Daarnaast zijn in de bouwsector enkele private organisaties actief met een register of bestand van, respectievelijk een keurmerk voor bouwkundige inspecteurs; deze worden besproken in het hoofdstuk Persoonscertificatie.

– Keurmerk GarantieWoning

In 2022 zijn er drie zogeheten waarborgende instellingen die garantieregelingen voor woningbouwprojecten met het GW-keurmerk aanbieden. Verwarrend, maar wel enigszins begrijpelijk, is dat minstens een van deze waarborgende instellingen (Bouwgarant) zich presenteert als keurmerk, terwijl het formeel gezien een GW-certificaathouder is. Het GW-keurmerk stelt eisen aan:

  • de koop-/aannemingsovereenkomsten;
  • de kosten en wijze van geschillenbeslechting;
  • minimum garantie- en waarborgnormen aan de regelingen die door de waarborgende instellingen worden gehanteerd.

Een van de waarborgnormen houdt in dat de woning voldoet aan de toepasselijke eisen voor nieuwbouw conform het Bouwbesluit. Met de garantienormen wordt de koper onder andere beschermd tegen de gevolgen van een eventueel faillissement van de ondernemer. Wanneer zich gebreken voordoen vindt geschillenbeslechting plaats volgens een heldere procedure, tegen van tevoren bekende lage kosten en bij een onafhankelijke instantie. De Stichting GarantieWoning voert als certificerende instelling (CI) ook het schemabeheer uit. De waarborgende instellingen (certificaathouders) werken met aangesloten aannemers, projectontwikkelaars, e.d. die voor elk project een plan indienen, dat door de certificaathouder wordt getoetst aan de door GW goedgekeurde garantieregeling. Na acceptatie van het plan kan de ondernemer op de verkochte woningen een waarborgcertificaat voor de koper aanvragen. De certificaathouders zijn dus gemandateerd om de projectplannen per woning te beoordelen, en te beslissen over toekenning van het GW-certificaat. Dit lijkt strijdig met de eis in de accreditatienorm ISO/IEC 17065 (paragraaf 7.6.1) dat een CI de certificatiebeslissingen niet mag uitbesteden, maar deze eis is niet van toepassing omdat de Stichting GarantieWoning buiten accreditatie werkt. In 2022 zijn de drie certificaathouders aangesloten bij de volgende onafhankelijke geschillenregelingen:

Een geschillencommissie kan ook geschillen behandelen waarop het GW-certificaat niet van toepassing is.

– Wet kwaliteitsborging voor het bouwen

De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb), die naar verwachting in 2024 van kracht wordt, is een publiek-privaat stelsel van kwaliteitsborging in de bouw. Aan de top staat een nieuw zelfstandig bestuursorgaan, de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB). De Wkb geldt eerst alleen voor eenvoudige bouwwerken, zoals eengezinswoningen en kleinere bedrijfspanden; later volgen de andere bouwwerken. De TlokKB neemt ook de publieke taken over van de Stichting Bouwkwaliteit, met name het stelsel van erkende kwaliteitsverklaringen voor bouwproducten. De website van de TloKB belicht zowel het Wkb-stelsel als het stelsel van erkende kwaliteitsverklaringen.

Onder de Wkb vervalt de preventieve toetsing aan de bouwtechnische voorschriften door het bevoegd gezag, veelal de gemeente. In plaats hiervan komen er onafhankelijke kwaliteitscontroleurs, die kwaliteitsborgers worden genoemd. Dit zijn natuurlijke of rechtspersonen die in de ontwerpfase en op de bouwplaats controleren of een gebouw voldoet aan de wettelijke technische eisen. Zij gebruiken hiervoor een instrument voor kwaliteitsborging dat wordt aangeboden door een instrumentaanbieder; de laatste moet hiervoor toelating aanvragen bij de TloKB. De instrumentaanbieders zijn verantwoordelijk voor het werk van de kwaliteitsborgers die hun instrument hanteren. Zowel de instrumenten als de kwaliteitsborgers zijn opgenomen in een register dat wordt beheerd door de TloKB. Het bevoegd gezag, veelal de gemeente, ziet erop toe dat de Wkb goed wordt uitgevoerd, en behoudt toezichts- en handhavingstaken.

– Accreditatie

Zowel het private GW-keurmerk als het wettelijke Wkb-stelsel hanteren een eigen terminologie voor hun systematiek. De onderstaande tabel legt de verbinding met het op deze website gehanteerde begrippenkader (linker kolom).

Begrippenkader Garantiewoning (GW) Wkb
Accreditatie-instelling N.v.t. TloKB
Schemabeheerder(s) Stichting GW Instrumentaanbieders
Certificatieschema’s Garantieregelingen met toetsing aan Bouwbesluit Instrumenten voor kwaliteitsborging met toetsing aan Bouwbesluit
Certificerende instelling(en) Stichting GW Instrumentaanbieders
Certificaathouders Waarborgende instellingen Kwaliteitsborgers
Certificaten Waarborgende instellingen geven GW-certificaten af op basis van door GW goedgekeurde regelingen Kwaliteitsborgers geven verklaringen af op basis van instrumenten in Register Kwaliteitsborgers
Garanties voor de koper Garanties afgedekt door verzekering Geen garanties, wel aansprakelijkheid
Geschillenregeling Laagdrempelige, onafhankelijke geschillenbeslechting Geen geschillenregeling
Begrippenkader Garantiewoning (GW)
Accreditatie-instelling N.v.t.
Schemabeheerder(s) Stichting GW
Certificatieschema’s Garantieregelingen met toetsing aan Bouwbesluit
Certificerende instelling(en) Stichting GW
Certificaathouders Waarborgende instellingen
Certificaten Waarborgende instellingen geven GW-certificaten af op basis van door GW goedgekeurde regelingen
Garanties voor de koper Garanties afgedekt door verzekering
Geschillenregeling Laagdrempelige, onafhankelijke geschillenbeslechting
Begrippenkader Wkb
Accreditatie-instelling TloKB
Schemabeheerder(s) Instrumentaanbieders
Certificatieschema’s Instrumenten voor kwaliteitsborging met toetsing aan Bouwbesluit
Certificerende instelling(en) Instrumentaanbieders
Certificaathouders Kwaliteitsborgers
Certificaten Kwaliteitsborgers geven verklaringen af op basis van instrumenten in Register Kwaliteitsborgers
Garanties voor de koper Geen garanties, wel aansprakelijkheid
Geschillenregeling Geen  geschillenregeling

Het GW-keurmerk is niet geaccrediteerd, en ook bij het Wkb-stelsel is de RvA niet betrokken. De rol die de RvA heeft in andere publiek-private stelsels wordt onder de Wkb ingevuld door de TloKB. Bij de indiening van de Wkb in 2014 werd deze afwijking van het kabinetsstandpunt over certificatie en accreditatie als volgt toegelicht in de bijbehorende Memorie van toelichting (MvT):

Om diversiteit en innovatie in instrumenten mogelijk te maken en daarmee een proportioneel en betaalbaar stelsel te creëren, is ervoor gekozen om dit kabinetsstandpunt niet volledig te volgen, maar wel aan te sluiten bij de daarbij gehanteerde uitgangspunten. (paragraaf 2.2)
[…]
Het ligt verder niet voor de hand de beoogde taken bij de Raad voor Accreditatie te beleggen. De Raad mag deze taken niet oppakken volgens internationale regels voor accreditatie-instellingen. De Raad deelt deze mening. (paragraaf 3.1)

Bij de uitspraak dat de RvA deze mening zou delen verwijst de MvT naar het rapport Ruimte voor ambitie, Quick Scan Autoriteit Private Kwaliteitsborging uit 2013 van Brink Groep. De bewuste passage in dit rapport luidt als volgt (blad 26):

De Raad voor Accreditatie ligt niet voor de hand als startpunt voor een ‘Autoriteit’. Ook de Raad voor Accreditatie zelf overigens deelt deze mening. De Raad voor Accreditatie mag deze rol niet oppakken, volgens de internationale regels voor accreditatieinstellingen. Bouwend Nederland geeft aan dat de Raad voor Accreditatie wel een rol in de toelating van instrumenten zou kunnen verzorgen.

De wetgever heeft het terechte bezwaar tegen een rol voor de RvA als ‘Autoriteit’ wel, maar de eveneens terechte suggestie van Bouwend Nederland niet meegenomen in de opzet van de Wkb. Als geconsulteerde organisatie geeft de RvA elders in het rapport Ruimte voor ambitie (par. 07.05) aan dat het moeilijk zal zijn om een geaccrediteerd productcertificaat toe te kennen aan een gerealiseerd bouwwerk. Waarschijnlijk heeft het argument ‘… om diversiteit en innovatie in instrumenten mogelijk te maken …’ de doorslag gegeven om de RvA, die gebonden is aan de ISO/IEC-accreditatienormen, buiten het Wkb-stelsel te houden. De verantwoordelijkheid om een met RvA-accreditatie vergelijkbaar niveau van vertrouwen in het Wkb-stelsel te realiseren ligt daardoor geheel bij de TloKB.

Samenvatting productcertificatie

De primaire functie van productcertificatie is het bevorderen van vertrouwen bij de doelgroep, die bestaat uit de afnemers/gebruikers/consumenten van de gecertificeerde objecten. Meestal wordt het certificaat keurmerk genoemd, en fungeert een logo of beeldmerk als drager van deze boodschap. Naast producten kunnen ook diensten en processen worden gecertificeerd.

De betekenis van het certificaat is dat de eigenschappen en prestaties aan zekere eisen voldoen. Naast de primaire functie kan productcertificatie de betreffende markt beïnvloeden doordat de keurmerkcriteria fungeren als richtsnoer (benchmark), bijvoorbeeld als ook aanbieders zonder keurmerk zich richten op de keurmerkcriteria, grote inkopers (supermarkten, overheden, e.d.) ze toepassen bij inkoop en aanbesteding, of consumentenorganisaties en productvergelijkers ze betrekken bij hun adviezen.

Bij keuringen en controles is het herstel van eventuele non-conformiteiten (NC’s) gebonden aan vaste termijnen, afhankelijk van de ernst van de afwijking. Dit ligt vast in de keurmerkcriteria en -procedures (het certificatieschema). De frequentie en de ernst van NC’s kunnen worden beperkt door aanvullende eisen aan de bedrijfsvoering (het managementsysteem) van de certificaathouder.

Historie

In het begin van de twintigste eeuw stelde de overheid enkele keurmerken – rijksmerken genoemd – in voor exportbevordering, en zou het daar verder bij laten. Later werd een drietal certificatie-achtige stelsels met logo’s opgenomen in productveiligheidswetgeving:

  • het nationale NL-teken o.a. voor elektrische apparaten;
  • het Europese CE-merkteken voor producten en diensten;
  • het internationale E-merk voor producten in/bij motorrijtuigen.

Het NL-teken is aan het einde van de eeuw geleidelijk verdrongen door het CE-merkteken. Het E-merk heeft zich gehandhaafd, maar is wel ondergebracht in de Europese certificatie- en accreditatiestructuur.

De eerste private keurmerken zijn gelanceerd door consumentenorganisaties (ANWB, NVvH) en de nutsbedrijven voor elektriciteit, gas en water. Bij de nutsbedrijven gingen de belangrijkste keuringseisen over veiligheid en gezondheid, terwijl bij de consumentenorganisaties de gebruikskwaliteit voorop stond. Samen met het KOMO-keurmerk voor de bouwsector, waren deze keurmerken in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog bepalend voor het keurmerkenlandschap.

Met het toenemen van de welvaart, en daarmee het aanbod van producten en diensten, nam ook het aantal keurmerken toe. Tegen het einde van de twintigste eeuw kreeg deze ontwikkeling een extra impuls als gevolg van deregulering en privatisering door de overheid. Anderzijds zorgde nieuwe wet- en regelgeving op het gebied van veiligheid en gezondheid – grotendeels het gevolg van Europese initiatieven – ervoor dat private keurmerken op dit terrein minder belangrijk werden, en soms verdwenen, zoals het Giveg-keurmerk. In de bouwsector is het KOMO-keurmerk aanvullend ten opzichte van het CE-merkteken, waardoor dit niet negatief werd beïnvloed door de Europese richtlijn voor bouwproducten.

Ook doelmatigheidskeurmerken, zoals van de ANWB en de NVvH, verloren tegen het einde van de twintigste eeuw aan betekenis, waarschijnlijk mede door de opkomst van internet, waar steeds meer kosteloze adviezen van deskundigen en ervaringen van gebruikers zijn te vinden, allebei overigens met wisselende betrouwbaarheid. Tezelfdertijd kwamen als nieuwe motieven voor certificatie aspecten van maatschappelijke verantwoordelijkheid naar boven, zoals milieubescherming, energiebesparing, en dierenwelzijn.

De deregulering rond de laatste eeuwwisseling lijkt de opkomst van branche- en sectorkeurmerken te hebben bevorderd. Daar waar deregulering gepaard ging met de terugkeer van oude risico’s heeft de overheid nieuwe wetgeving ingevoerd (kwaliteitsborging in de bouw, werken aan gasverbrandingsinstallaties), zij het met flinke vertraging.

Op het gebied van veiligheid en gezondheid vertoonde de verhouding tussen wetgeving en zelfregulering door middel van keurmerken het volgende patroon. Wetgeving loopt voorop bij risico’s in de elementaire levensbehoeften, zoals bij levensmiddelen (Warenwet), en neemt zelfregulering de wind uit de zeilen. Het Vinkje, een privaat keurmerk voor levensmiddelen, was slechts een kort leven beschoren. Zelfregulering loopt voorop bij minder essentiële en/of nieuwe producten en diensten, en kan worden opgevolgd door wetgeving, bijvoorbeeld als de risico’s van het gebruik van dergelijke producten en diensten toenemen (gas, elektriciteit), of waar ongezonde eetgewoonten de volksgezondheid bedreigen (verplichte etikettering, Nutriscore).

Bij het onderwerp mvo/duurzaamheid (milieubewustzijn, dierenwelzijn, e.d.) beperkte de overheid zich in eerste instantie tot ondersteuning van zelfregulering, zoals blijkt uit de aanloopfinanciering van het Milieukeur en het Beter Leven keurmerk. Met de toenemende urgentie van klimaatverandering, biodiversiteit e.d. neemt (Europese) wetgeving echter het voortouw in essentiële duurzaamheidsaangelegenheden (ontbossing, CO2-uitstoot).

Waar het gaat om eerlijkheid in de handel werd de dynamiek rond keurmerken meer bepaald door de invloed van belangengroepen dan door de veiligheid en gezondheid van de burgers. Het Botermerk en het Kaasmerk gingen vooraf aan de Warenwet en waren gericht op bescherming van de export, terwijl het VNF-label voor Nederlandse producten wortelde in de belangen van het bedrijfsleven in oorlogsomstandigheden. In de loop der jaren werd de Warenwet uitgebreid met steeds meer samenstellings- en etiketteringsvoorschriften, met uiteindelijk een EU-verordening (1169/2011) voor de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten. De Europese wetgeving voor geografische aanduidingen (beschermde oorsprongsbenaming e.d.) gaf EU-brede bescherming aan producenten van streekproducten, die tot dan toe, zeker buiten de eigen landsgrenzen, weinig konden doen tegen misleidende en frauduleuze oorsprongsbenamingen.

Op de markt voor goede doelen gaat het ook om eerlijkheid in het maatschappelijk verkeer. Hier verschenen zowel het private CBF-keurmerk als de erkenning van de Belastingdienst voor ANBI’s en SBBI’s op het toneel. Naar verwachting blijven ze naast elkaar bestaan, omdat ze stoelen op verschillende uitgangspunten en keuringseisen en controleregimes.

Stand van zaken

De meeste productcertificaten zijn naar hun doel in te delen in de volgende categorieën (met tussen haakjes enkele voorbeelden):

  • doelmatigheid, meestal inclusief veiligheid en gezondheid (Bondshotel, KOMO, Toegankelijkheid);
  • veiligheid en gezondheid (Kema, Politiekeurmerk Veilig Wonen, APK);
  • eerlijke handel (Botermerk, Wolmerk, Beschermde streekproducten);
  • maatschappelijk verantwoord/duurzaam: milieubescherming, dierenwelzijn, bejegening (EKO, Beter Leven, Incasso Keurmerk).

Toelichting: de begrippen maatschappelijke verantwoordelijkheid van organisaties (mvo) en duurzaamheid worden vaak door elkaar gebruikt.

De certificatie van producten, diensten en processen kent onder andere de volgende uitvoeringsvormen (met tussen haakjes enkele voorbeelden):

  • stelsels met gedistribueerde verantwoordelijkheden (CE-markering voor producten, APK voor motorvoertuigen);
  • keurmerken met verschillende niveaus (sterren/klassen/treden) (SKG, Beter Leven, Milieuthermometer);
  • certificatie van goederenstromen (biologisch geteelde producten, groene stroom, CO2);
  • branchekeurmerken (Incasso Keurmerk, Hotelsterren);
  • overlappende schema’s (incassobureaus: 3 stuks, CE-markering: 1 per EU-lidstaat);
  • met RvA-accreditatie (SKG, KOMO, Gaskeur) en zonder (ANBI-erkenning, Stichting GarantieWoning, Keuringsraad voor geneesmiddelenreclame).

De harmonisatie van overlappende schema’s kan stagneren of uitblijven door factoren die weinig tot niets te maken hebben met het verschaffen van aankoopinformatie, zijnde de primaire functie van keurmerken. Ook als de keuringseisen al in hoge mate zijn of worden geharmoniseerd door wet- en regelgeving, kan verdere harmonisatie uitblijven door verschillende servicepakketten voor certificaathouders, segmentatie van de sector, en verschillende toezichtregimes. Op termijn kunnen dergelijke factoren aan kracht inboeten, waardoor harmonisatie alsnog een kans krijgt.

Keurmerken met verschillende niveaus kunnen worden gezien als overbrugging van het informatiegat tussen ‘zuivere’ keurmerken en informatieve etikettering (zie ook Aankoopinformatie & keurmerken in de bijlage Functionele omgeving). Verschillende niveaus zijn pas zinvol als de veiligheid en gezondheid zijn gewaarborgd, al dan niet door separate wetgeving, en daarbij is één niveau voldoende. De niveaus betreffen dan ook gebruiks- en/of secundaire aspecten (duurzaamheid, dierenwelzijn, energieverbruik e.d.).

Accreditatie en toezicht

De meeste hier besproken keurmerken die betrekking hebben op veiligheid en gezondheid zijn geaccrediteerd door de RvA. Keurmerken zonder accreditatie hebben meestal betrekking op andere eigenschappen van het product of de dienst, zoals doelmatigheid, milieubescherming en bejegening van burgers. Dit beeld is niet generaliseerbaar naar alle keurmerken, maar het geeft wel een indruk van het belang dat betrokken partijen hechten aan accreditatie als het gaat om veiligheid en gezondheid.

In het kabinetsstandpunt over certificatie en accreditatie in het overheidsbeleid wordt accreditatie aanbevolen als certificatie fungeert als ondersteuning van wet- en regelgeving. Niet alle ministeries houden zich aan deze richtlijn:

  • de VWS-erkenning van expertisecentra voor zeldzame aandoeningen (ECZA’s), die een wettelijke grondslag heeft, is niet geaccrediteerd.
  • de ANBI-kwalificatie van de Belastingdienst, die onderdeel is van wet- en regelgeving, is niet geaccrediteerd. Mogelijk komt dit doordat deze erkenning niet als keurmerk is ontwikkeld en wordt ervaren.
  • de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB), die toeziet op de uitvoering van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb), werkt buiten accreditatie. Uit de ontstaansgeschiedenis van de Wkb blijkt dat de RvA bewust niet is ingeschakeld voor de kwaliteitsborging.

In de nieuwe wetgeving voor het werken aan het gasleidingnet, waarin de uitvoerende bedrijven een certificaat moeten bezitten, wordt accreditatie wel verplicht gesteld.

 

Tot zover de samenvatting van Productcertificatie. Lees ook de integrale samenvatting (pdf), of de samenvattingen van de andere hoofdstukken:

Skip to content